Vader kocht een boerderij in Donkerbroek. Hij zag een nieuwe
kans na de brand van het houten huis. Hij wilde niet langer eieren rapen voor
een ander.
In een verhuisbusje hadden we van alles wat we van familie
hadden gekregen, van bedden tot potten en pannen.
Het was een eng huis met een draai in de trap, kruipend ging
ik er de eerste keer op en weer af, veel te bang om te vallen.
Maar de stal vond ik prachtig, zo groot, zoveel ruimte! Dat
bijzondere gevoel kan ik nu zo weer oproepen.
We hadden niets meer van weleer, al onze spullen waren
verbrand, ook onze step. Maar het steppen zou ook nooit meer zo geweest zijn
als aan de zevenbergjesweg in Voorthuizen die afliep naar beneden, waar
buurvrouw Oma woonde.
Niet dat ik me daar iets van herinner, alleen een vaag beeld,
wat ik waarschijnlijk zelf heb gecreëerd over wat er aan tafel over verteld
werd, van een berg en heel groot met bomen overal.
In Donkerbroek was alles plat. We woonden een eind van de
straat af en rondom was alleen maar weiland, en boerderijen.
Schuin voor ons huis, dicht aan de straat, stond een
vakantiehuis waar regelmatig andere mensen in verbleven. Maar heel vaak was er
niemand.
We mochten er niet komen, alleen onze ouders stuurden ons er
heen om appels te stelen
zodat we in de herfst iets anders te eten kregen dan
stamppot knollen die we een hele natte zaterdag hadden moeten plukken tot je
niet meer rechtovereind kwam van de pijn in je rug. Maar dat was pas 5 jaar na
de verhuizing.
Bij het vakantiehuisje gluurde ik dan vaak door het raam
naar binnen.
Daar zag je een bedstee en ik vond het fascinerend, zo’n
bedstee leek me het fijnst om je in te verstoppen. Helemaal je eigen plek waar
niemand bij kon. Als ik bang was vluchtte ik in gedachten wel eens naar die
bedstee. Vaak verlangde ik er naar binnen te sluipen, een kapot raampje of
vergeten afgesloten deur misschien. En dan zou ik de gordijnen dichtdoen zodat
mijn moeder me nooit meer kon zien. Ik kon best voor mezelf zorgen.
Maar er was nooit een mogelijkheid om het huisje in te komen,
alles was altijd goed gesloten.
Ik sliep eerst met mijn broertje in bed, tot ons moeder ons
betrapte op vieze spelletjes.
Hij zat namelijk op mijn knieën en ik liet ze dan vallen
zodat hij op het bed viel, dolle pret hadden we dan. Ik was dol op mijn broertje,
voel nog de band die ik met hem had, misschien omdat hij 2 jaar jonger was en
ik me over hem ontfermde, en altijd probeerde te beschermen (hij herinnert zich
er niets van, behalve dat ik later grote jongens wegjoeg als ze hem pestten,
voor hem was er niets bijzonders tussen ons).
Mijn moeder vond dat spelletje op bed niet vertrouwd. Ze had
zo’n hekel aan me (wat overigens wederzijds was) dat ik haar ervan verdenk dat
ze probeerde ons uit elkaar te halen. Misschien was ik 6 of 7 en mijn broertje
2 jaar jonger. Daarna moest ik meteen naar mijn bedpiszus in bed zodat ik
overdag naar school ook een pisluchtkind was. Pas toen ze een paar jaar later
na een logeerpartij de hele nacht lag te huilen mocht ik bij andere oudste zus
in bed.
Bedpiszus werd door iedereen als zielig gezien. Mijn oudste
zus had maling aan alles, liever zwijgen en jaknikken, maar ze kreeg wel de
gemeenste slaag, heel vernederende slaag ook, vooral toen haar borsten groter
werden (bij haar begon dat al veel jonger en groter dan bij mij).
Bedpiszus huilde of keek als een puppy met haar grote ogen
en kuiltje in de wang, en dan smolt iedereen. Zelfs mijn vader hield op haar te
slaan.
Ik had harde afwerende ogen met een strakke blik, en leefde
in mijn eigen wereldje, was zoveel mogelijk op de boerderij en bij de dieren.
Ver achter onze boerderij had een beroemde zangeres een
huisje, volgens mij was het Marie-Cecile Moerdijk, maar zeker weet ik het niet.
Soms zagen we van verre een mooie vrouw en ik kon haar horen zingen, niet in
het echt, maar ik verbeelde me dat ze zo mooi was met een mooie stem, anders
was je toch geen zangeres.
Het verhaal ging dat Wim Sonneveld aan een van de zandwegen
een huisje had (aan het verlengde van de Schansmeerweg), die zag je daar nooit.
Ik vond het reuze spannend rondom die huisjes te sluipen en
naar binnen gluren, en dan die angst betrapt te worden, al zou ik niet weten
door wie, er kwam daar toch nooit iemand.
Soms, als ik met paard en wagen en emmers vol water naar de
weilanden moest om de kalveren water te geven dan stopte ik wel eens bij zo’n
huisje.
Echt griezelig was het huisje wat onbewoonbaar verklaard
was, daar stonden er drie van in onze buurt. Daar mocht je niet in want het kon
zo instorten. Járen later stonden ze er nog. En twee van die huisjes werden
gekraakt. Ons werd ten strengste verboden met die krakers te praten, die
deugden niet. Volgens mijn vader. Soms liepen ze gearmd door het weiland van de
buurman. En dan schold mijn vader ze uit, want je hoorde als stadse niet zomaar
door andermans weiland te lopen. En dat geflikflooi dat was een schande in het
openbaar. Ik heb ze nooit iets zien doen dan met de armen om elkaar heen lopen.
Als die mensen hadden geweten dat mijn vader ze rustig met
een hooivork te lijf zou zijn gegaan zouden ze het bijvoorbaat al niet door ons
weiland gedurfd hebben. Maar ze kenden mijn vader nog niet.
Mijn vader was gek. Ik zeg het eerlijk, daar stam ik van af.
Als er vakantiegangers in het vakantiehuisje voor ons huis
waren kwamen er wel eens kinderen naar hem toe met een pan en dan riepen ze:
meneer, meneer mogen we een pannetje melk. Dan was mijn vader apetrots, dat
zulke kinderen hem meneer noemden. Ze moesten wel eerst even naar huis om geld
te halen voor dat pannetje melk.
Wij krijgen vaak melk van koeien die met penicilline behandeld
waren, dat mocht niet mee naar de fabriek, maar voor ons was het heel gezond,
beginnen met broodpap in de ochtend, tussen de middag broodpap, in de avond
broodpap, of als je geluk had havermoutpap, wel met klonten want mijn moeder kon
niet koken, ze kon niets, alleen klagen en op anderen letten.
Mijn moeder wist van de hele buurt wie er ongesteld was,
“die het de rooie vlag uuthangen.”
Ze hield het goed bij als de buurvrouw een paar dagen over
tijd was. De lapjes hingen dan wat later aan de lijn. Ook van ons hield ze het
goed bij, aan tafel werd ook altijd aangekondigd wie van de buren of ons
ongesteld was, dan wist mijn vader meteen welke dochter hij niet hoefde te
benaderen.
Maar hoe goed ze dat ook wist, er was altijd maandverband
tekort, en dan moest je als een gek met een oude lap tussen je benen op de
fiets naar de vivo aan de herenweg.
Overigens was algemeen bekend dat mijn vader ook wel
buurvrouwen bezocht, geloof niet de echte naaste. Hij was een enorme charmeur
en de domste vrouwen vielen voor goedkope woorden. “Vriendschappen” duurden
nooit lang, er ontstond altijd heibel.
Ook met de kleuterjuf heeft hij iets gehad waardoor de
politie aan de deur kwam en er een rechtszaak is geweest. Hoe en wat weet ik
verder niet.
Maar net goed voor het rotmens. Ze logeerde wel bij ons.
Waarom weet ik niet, ze kon net zo goed naar huis gaan. Maar dan bemoeide ze
zich met ons. Ik was 7. We kregen altijd
te weinig eten en op een ochtend lag zij nog in de opkamer en jammerde ik om
brood. Toen riep ze dat ik haar brood op moest eten, ze was heel boos, dan had
zij niets. Ik moest respect voor mijn arme ouders hebben, want die werkten zo
hard, zij zou het brood wel uit haar mond sparen, had ik nu mijn zin? Ik at het huilend op, maar vond het niet
deugen dat zij zich met ons bemoeide, er klopte iets niet. Nu, achteraf denk ik
dat ze wel iets op sexueel vlak met mijn vader had, anders bemoei je je niet op
die manier met andermans kinderen. Dus net goed dat er iets is gebeurd, het
ging over foto’s want ik moest van de politie het fototoestel halen. Het lag
alleen niet op de plaats waar het hoorde te liggen en ik zocht alles af maar
vond het niet. Mijn moeder lag toen in een bed in de woonkamer, ze mankeerde
altijd wel wat.
Helaas heb ik dit, net als uiterlijke onaangename kenmerken
van haar geërfd, daar ben ik niet blij mee. En dan ben ik weer trots op de
andere kenmerken die ik van mijn vader heb. En dat is niet logisch daar trots
op te zijn. Maar als je van jongsafaan een hekel aan je moeder hebt dan is een
wrede vader zelfs een zegen.
Mijn moeder was altijd boos en verontwaardigd. Als ze me
waste in de keuken bij het aanrecht schreeuwde ik moord en brand. En als ze
mijn haren deed was dat een verschrikking. Ik herinner me nog op de boerderij
dat ik in mijn blootje (dan was ik een jaar of 6) naar de stal rende waar mijn
vader de koeien molk, toen nog met de hand. Hij stopte met melken, pakte me bij
mijn hand, en ik was dolblij, hij ging mijn haren wassen, zijn grote hand voor
mijn ogen zodat er geen shampoo in kwam.
Mijn vader was onbetrouwbaar maar ik hou me het liefst vast
aan dit soort lieve momenten, die voor een vader en moeder normaal gedrag
behoren te zijn, maar voor mij heel bijzonder want zoveel van dit soort fijne
herinneringen heb ik niet aan hem. En aan mijn moeder nog altijd geen een. Niet
dat dat erg is, ik heb later heel veel beetjes liefde ontvangen. De
wonderlijkste mensen bekommerden zich over me.
Op mijn 16e ben ik zwaar gehavend van de
boerderij afgevoerd en nooit meer teruggekeerd.
Er is een rechtzaak geweest en mijn vader is veroordeeld
wegens meerder malen enkele jaren achtereen misbruik van mij te hebben gemaakt.
Wat natuurlijk erg was is dat mijn zussen ontkenden dat mijn
vader iets deed bij hun. Eigen schuld natuurlijk voor ze, dat het bij hun door
bleef gaan, ze hadden hem voor de rechter tenslotte gesteund en verdedigd.
Ook voor de mishandeling is niet veroordeeld, die toen toch
zichtbaar was bij mij. Je mag rustig zeggen dat ik “geluk” heb gehad met de
incest, anders was hij niet veroordeeld en ik? Had moeten zwerven vermoed ik.
Nu kwam ik onder de kinderbescherming, en dat was voor mij
echt bescherming. Mijn ouders zijn gedeeltelijk uit de ouderlijke macht ontzet.
Maar ik weet nog altijd niet wat dat precies betekent, zoveel als dat ze wel
voor me moesten betalen maar niets te zeggen hadden? Of dat gedeelte alleen
voor mij gold en niet voor de anderen, dat klopt, beide zussen en broertje
bleven thuis.
Maar ook al had ik mezelf bevrijd, toen begon het proces van
leven, een weg zoeken. Het onwerkelijke, het ontworteld zijn, verstoten en
veroordeeld door iedereen behalve door de rechter. Ik wilde mijn familie niet
meer zien. Zij mij ook niet.
Ik had een mooie tijd in de tehuizen was een onhandelbaar
kind en kon met gemak de directeur tot wanhoop brengen door niets te doen, en
niets te zeggen. Dat had ik geleerd bij mijn moeder, als ik haar aankeek werd
ze hysterisch. De directeur had daar ook trekjes van.
Maar later kwam het toch nog goed, toen ik in een tehuis in
Apeldoorn kwam, waar ze me normaal behandelden, niet alleen regels en eten,
maar ook aandacht en begeleiding. Normaal gesprekken voerden met je. En je
mocht heel veel: dansen op tafel onder het eten, en smijten met deuren. We
zaten daar tenslotte niet voor niets! Maar juist omdat er zoveel mocht konden
we onze frustratie kwijt. Het was de mooiste tijd voor me in die jaren. Een
belangrijke tijd want ze leerden me mijn geweten te ontwikkelen.
Ik heb er bijzondere avonturen beleefd met Truus, en met
Jack.
Mijn ouders heb ik echt nooit meer gezien, en dat blijft zo.
Mijn ene zus heb ik later nog korte tijd ontmoet maar dat liep steeds fout.
Iedereen vond haar nog steeds zielig, mijn nieuwe vrienden vonden dat ik haar
moest helpen. Alsof ik het niet moeilijk had, alsof zij er niet zelf voor
gekozen had haar vader te verdedigen en bij hem te blijven en mij af te vallen.
Bovendien was zij het ook die mij de laatste nacht met veel
genoegen zwaar toetakelde.
Onderhuids blijft dat broeien.
Een paar jaar geleden ontmoette ik via schoolbank vroegere
buurmeisjes een van hem kende mijn broer. Ze deed wat geheimzinnig. Hij zat op
het randje, het ging niet goed met hem.
Ze bemiddelde in contact. Maar hij moest er over nadenken.
Dat deed mij heel erg pijn. Dat hij er over na moest denken,
terwijl ik altijd aan hem had gedacht en me veel lieve dingen uit onze gezamenlijke
jeugd herinnerde.
Hij was nog niet meteen enthousiast. Maar uiteindelijk
ontmoetten we elkaar. Toen ik mijn armen spreidde om hem te omarmen smolt hij
meteen. Dat was een heerlijke roes, die eerste 3 maanden. We hadden elkaar
zoveel te vertellen. Ik schrok van alles wat ik hoorde er was werkelijk geen
mooi lichtpuntje, geen positief verhaal, alles was ellende en al die jaren was
hij onder het juk van zijn vader blijven hangen. Ik probeerde het te begrijpen.
Zelf zou ik allang knettergek geworden zijn. Ach wat, ik had mijn vader
doodgeslagen, overreden met een tractor, in brand gestoken, opgehangen aan zijn
ballen. Het maakt niet uit, maar ik zou me niet hebben laten mishandelen op
mijn 40e.
Maar mijn broer heeft een totaal ander karakter, hij lijkt
daarin op zijn moeder. Daarmee gaf hij zijn vader meer macht dan die in
werkelijkheid heeft.
Het vlotte uiteindelijk toch niet tussen broer en mij,
zoveel onbegrip naar elkaar toe, oude pijn, van beide kanten.
Hij vond het veiliger bij zijn moeder en zus dan bij mij
want ik ben geen meeprater, soms ben ik de advocaat van de duivel, niet om de
ander pijn te doen maar ook eens andere kanten te bekijken om je mening nog
eens objectief te beoordelen. Kortzichtigheid was erg groot, vroeger al, en als
je dan niet zoveel mensen kent die je op je lazer geven blijf je in dat
kortzichtige kringetje.
Ik kon ook niet goed tegen de confrontatie zijn beide
ouders’ gedrag in hem te zien. En hij kon er niet tegen mijn vader in mij te
zien.
Dan heeft de omgang geen zin, dat is alleen maar belastend.
Het was wel een ontevreden gevoel toen het stopte, dat het ons niet gelukt was
samen iets tot elkaar te komen.
Ik had er zelfs spijt van dat ik had leren kennen, want ik
was terug naar vroeger geschopt.
Maar ik had ManB toen al 17 jaar als mijn broertje, al heeft
die ook wel zijn manco’s maar dat is toch anders dan oude hechtingen
opentrekken en laten etteren zonder ze te genezen.
Achteraf kijk ik anders aan tegen de omgang met mijn broer,
het was goed, het was heel goed voor mijn verwerking. Het gaf heel veel
duidelijkheid, heel veel dingen die ik me herinnerde bevestigde hij. Er zijn
psychologen die beweren dat je hersenen eigen verhalen maken, maar ik ben er
altijd zeker van geweest dat dat bij erg indrukwekkende gebeurtenissen niet zo
is. Die zijn als tatoeages in je ziel. Van andere dingen weet ik wel dat ik
hier en daar zelf een leegte invul. Maar die doet niets af aan mijn beleving.
De middelste is de "zielige" zus,
de meest rechter, met bril, ben ik.
Afwerend?
Ik zie het niet!

