donderdag 14 oktober 2010

Mijn bastaard

Mijn hond is een ietwat vreemd schepsel.
Een bastaard.
Hij mag zijn wie hij is.
Vrijheid blijheid.
Ik hou van dieren daarom train ik mijn hond niet. Het africhten van dieren vind ik ondierlijk, dat doe je toch niet!
Iemand naar je hand zetten, drillen, is alleen maar aan jezelf denken.
Met africhten ondermijn je zijn natuur en hij gaat rare dingen doen die je geen hond in de wildernis ziet doen, denk maar aan pootjes geven.
Mijn hond is lekker vrij als hij naar buiten mag.
Helemaal vrij is hij natuurlijk niet, ik beslis wanneer hij naar buiten mag en waar we heengaan.
Mijn hond heb ik ook geen naam gegeven, wat een onzin, iets menselijks toevoegen aan een dier, nee, dat is niks voor mijn hond en mij.
Een hond is een hond en een kat een kat.
Nou is het dierendag, en wat doe je om je hond te verwennen?
Je koopt een kluif.
Nee, ik niet,
mijn hond moet zijn eigen kluiven vangen, dat vindt hij prachtig! Niemand hoefde hem dat te leren, hij kon het zomaar uit zichzelf. Gisteren ving hij een konijn, dat heeft hij denk ik van de kat afgekeken want die kwam ook erg vaak met een half opgevreten konijn thuis.
Maar die kat is dood, door de hond afgemaakt.
Niks aan te doen, boos worden heeft geen zin, want als de kat een merel of muis doodmaakte werd ik ook nooit boos.
‘t Is de natuur, daar is niks aan doen.

Kijk, hieronder nog een foto van mijn hond, met wijlen de kat.
Zielig voor die kat hè?

Hij doet (n)iets

Vanmorgen genoot ik van een rondje door het natuurgebied,en van de stilte en de zon.
Plots kwam er een grote hond op me af hollen.
Verschrikt van angst bleef ik staan want honden vertrouw ik niet. Het is en blijft een beest met een oerinstinct wat misschien wel verborgen zit, maar bovenkomt als hij mij ruikt.
Ik hield mijn handen wat voor mijn gezicht om het te beschermen tegen de verwoestende tanden van het beest.
In de verte hoorde ik nog een mannenstem: "hij doet niks hoor."
Wat doe je dan met een hond, vroeg ik me af.
En ging er vandoor want ik was bang, honden doen altijd iets.

De hond blafte veel te hard en sprong tegen mijn been op met zijn voorpoten.
Zie je wel!
Zie je wel, zijn oerinstinct was bovengekomen.
Ik kreeg het benauwd, straks zou het beest mijn been eraf bijten.
Ik draaide me rond in de hoop dat hij van me af zou gaan. Maar hij had me beet en was niet van plan dat lekkere hapje weer los te laten, dat was duidelijk.
De eigenaar riep: "Wodka, Wodka niet doen."
Alsof Wodka dat zou snappen, bovendien was die toon veel te aanmoedigend. Ik bleef staan, doodsbang dat hij in mijn been zou happen (die hond dus).
Maar ineens begon hij mijn handen te likken, snel trok ik ze terug. Bah, dat smerige gelik! Daarnet heeft ie natuurlijk nog zichzelf belikt of aan vieze uitwerpselen zitten snuffelen.
“Hij doet niks hoor mevrouw,” zei de eigenaar die dichterbij gekomen was, “u moet alleen niet weglopen voor een hond dan gaat hij achter u aan, en denkt dat u wilt spelen.”
Ach kom! Sinds wanneer denkt een hond. Als ik stil blijf staan komt hij toch zeker ook!
“Het is een lieve hond, mevrouw, hij doet echt niets.”
Ohnee? Maar hij sprong tegen mijn been en omklemde het, en hij likte me! En nu zit ie maar raar aan me te snuffelen, en dat moet ik leuk vinden, of op zijn minst toestaan.
Maar als de hondeneigenaar dat zelf zou doen zou ik hem verontwaardigd van me af moeten duwen en aangifte doen wegens onzedelijk gedrag in het openbaar.
Heel verwarrend.

Maar zeg nou zelf, wie zou er niet bang worden als een hond zó op je af zou komen?


Of erger, zo?

Ooit een koffiejuffrouw op klompen gezien?

Ik ben gewend altijd op klompen te lopen, maar mijn baas vond dat niet goed.
In fraaie schoentjes voelde ik me zo vreselijk ongelukkig dat ik steeds weer op klompen kwam. “Maakt toch niets uit, meneer,” zei ik tegen de baas, “niemand ziet mijn klompen achter het bureau.”
Ik kon mijn cultuur toch geen geweld aan doen? Die klompen waren mijn identiteit.
Ik ben opgevoed op klompen, het gezondste schoeisel, zeiden ze toen, je krijgt er geen zweetvoeten in en iedereen ziet meteen dat je van boerenafkomst bent.
Mijn baas kon me mijn identiteit toch niet afnemen? Het staat in de grondwet dat ik recht heb op de vrijheidsbeleving van mijn levensovertuiging. En ik ben een overtuigd klompenloper.
Maar hij was onverbiddelijk:
Je moet representatief zijn anders zet ik je op een lagere functie. Je bent op deze manier een slecht visiteplaatje.
Bij een lagere functie mocht ik evenmin op klompen. Ooit een koffiejuffrouw op houten klompen gezien? Die moet er zelfs nog mooier uitzien dan de directiesecretaresse.
Ook als wc juffrouw mocht het niet, want ook die moet er keurig uitzien alsof ze zo mee naar een restaurant kan.
Er zat niets anders op dan met een boer te trouwen,
maar er was geen boer die een vrouw op klompen wou, ze wilden een spannende vrouw voor de huishouding en de sex.
Ik ben voorstander van de burka, hoofddoekjes, klompen, klederdracht en sexloze mannen!

Ik doe het alleen op zondag

Ik kom van de Veluwe, u weet wel, daar waar de eieren uit de kippen vallen en wat dominee zegt belangrijker is dan je man. Waar je op zondag in een keurige lange rok met zwarte kousen en een hoedje op naar de kerk gaat om er bij te horen. Waar de preek langer duurt om de mensen te vertellen dat het nooit goed komt met ze.
Op zondag lachen we nooit, dan kruipen we bijna naar de kerk in onze nette kleren in de hoop dat ook dit keer onze zonden vergeven worden, ook al weten we dat het nooit meer goed komt met ons.
Maar na een euro in de zak van de diaken voelen we ons verlost.
Uit die gemeente kom ik.

Wij trouwden dan ook in de kerk in Kootwijk.
Dat trouwen in de kerk, voor God, moet ik zeggen, is heel veilig, je kunt daarna niet scheiden want wat God verbonden heeft raakt nooit meer los.

Ik droeg een witte barbiepoppenjurk als teken van mijn reinheid, hoewel ik geen maagd meer was, een verkracht kind is dat nooit, maar dat heb ik niet aan God en de Zijnen verteld. Die waren er toch niet bij toen het gebeurde.

Mijn man kon het niets schelen, dat gedoe in de kerk, maar er viel niets op hem aan te merken.
Maar na onze huwelijksnacht – nee, niet denken dat we die volgens traditie doorbrachten, we waren allebei veel te moe, en bovendien was mijn menstruatie net begonnen. Daarom besloten we met de traditie een weekje te wachten – Na die huwelijksnacht dus, had mijn man een verrassing voor me.
Een sluier en een paar zwarte kousen.
Ik keek hem vragend aan.
“Je kleedt je mooi aan voor de kerk, en gedraagt je naar hun regels.
Hier in mijn huis gelden mijn regels.
Voortaan draag je die zwarte kousen en de sluier. Als tegenprestatie voor mijn medewerking aan de kerkelijke inzegening van ons huwelijk. Verder niets.”
Verder niets?
Na enig protest over netheid en naaktheid had ik geen andere keuze dan hem te gehoorzamen.
Maar ik doe het alleen op zondag als ik net uit de kerk kom.

Ik heb gelogen

“Waarom sta je hier zo alleen op de brug?”
Naast me staat een keurige meneer die heel vriendelijk kijkt.
“Is er iets gebeurd?” gaat hij verder.
Waarom zou ik een vreemde vertellen wat er is gebeurd. Is er ooit iemand geweest die iets met de waarheid deed?
Niemand hielp me als ik riep wat er was.
Wat moet ik zeggen?
Het gaat hem niets aan.
“Is er iets gebeurd?” dringt hij aan.
Ja, er is iets ergs gebeurd, ik ben uit het tehuis gezet omdat ik de laatste trein heb gemist, en nu zit ik in een vreemde wereld in een ander tehuis.
Maar ik zeg niets tegen de meneer.
Ik weet niet eens wat ik daar op het bruggetje doe, ik staar wat in het water, verder niets.
Hij neemt geen genoegen met mijn zwijgen en dringt aan.
“Mijn vader,” begin ik, zonder nog te weten wat ik zal vertellen, wel weet ik dat het niet de waarheid zal worden, die wil niemand horen.
Mijn vader was een bruut. Als je dat zegt verzacht iedereen het: het zal toch wel meevallen? Zo erg is het toch niet?
En als je zegt: hij deed ‘dát’ met me, dan zwijgen de mensen en lopen weg.

“Mijn vader is dood.”
Ik begin zelfs te huilen want het is ook een beetje waar maar iets anders dan dood. Hij is weg, uit mijn leven en figuurlijk is hij dood. Onopgelost, dat wel.
Ik geloof in mijn eigen verhaal wat steeds langer wordt. “Mijn lieve vader mis ik zo. Mijn vader die alles voor me over had en waar ik zo van hield, die is dood.”
Oh had ik maar zo’n vader gehad, ik kan het voelen, de pijn die zo diep zit dat hij nu dood is.
Ik kan huilen, ik kan mijn pijn om alles van vroeger gewoon eruit gooien, en de man zal alleen maar denken dat het is om mijn dooie vader en niet aan de bruut die ons het leven niet gunde zonder eerst zijn eigen behoefte te vervullen.

De man pakt me bij de schouder, “waar woon je kindje.”
“Aan de regentesselaan, meneer”, antwoord ik met huilerige stem.
Hij kan niet weten dat daar het te tehuis voor weggegooide kinderen is. Dat weet niemand, toen mijn voogdes me vanmiddag bracht moest ze er ook naar zoeken.
“Ik breng je thuis”, meteen duwt hij me zachtjes voor zich uit het bruggetje over, en het oranjepark uit.
Wat een vervelende man, ik wil op het bruggetje blijven, hij moet me niet thuis brengen, hij moet me met rust laten!
Ook hij doet niets met wat ik zeg, ze willen alleen maar weten voor hun eigen bevrediging, en daarna zoek je het maar uit.
Het is zoals die agenten die me kwamen halen voor het verhoor, ze vroegen me van alles in de auto, en ik dacht dat dat bij het verhoor hoorde en gaf netjes antwoord.
Bij het politiebureau zetten ze me voor de deur af en leverden me aan een ander over, en weer werden er duizend intieme en vieze vragen op me afgevuurd, en nog eens, van meerdere verhoorders bij elkaar. Alsof de schaamte al niet groot genoeg was.
“Heb je ooit een orgasme gehad?”
Ik wist niet eens wat het betekende. Later vertelde voogdes dat als ik het ooit zelfs ook maar een heel klein beetje lekker had gevonden mijn vader was vrijgesproken.
Stel je voor. Stel je voor dat je zelfs maar een heel klein beetje… van een verkrachting.
Waarom zou ik nog vertellen, waarom nog.
Mijn vader is veroordeeld en deels uit de ouderlijke macht ontzet,
en ik zit in een zoveelste tehuis.
Opgeruimd.
Wat valt er nog te zeggen.

Ik stribbel wat tegen maar hij is niet van plan me daar te laten staan.
Ongerust loop ik naast hem, hoe kom ik van hem af.
Maar er is geen ontsnappen mogelijk, tenzij ik het op een hollen zet, en dat doe ik niet.
Ik hoop op dat er vanzelf iets gebeurt waardoor hij in het niets verdwijnt.

Voor het huis aangekomen zeg ik: “hier woon ik, dag.”
Opgelucht ren ik het pad op naar binnen zonder om te kijken, weg van die man met zijn vragen, zonder hulp.

Als ik in de groepskamer kom zie ik de man toch het pad naar het huis op komen.
“Ik ben er niet”, fluister ik geschrokken tegen de begeleidster en vlieg naar mijn kamer en zet het bed tegen de deur. Niemand wil ik zien, niemand wil ik ooit nog vertellen wat er met me is.
Ga weg!
Het is net zo angstig als die keer dat ik me met mijn tante in de badkamer verstopte voor mijn vader toen hij nog niet wist dat hij was aangegeven.
Die verschrikkelijke angst voor de duivel die niet te doden is.

Een uur later komt de begeleidster me halen maar ik doe niet open.
Door de deur heen vertelt ze me dat het de dominee was en dat hij wilde weten hoe het met me gaat, en of hij iets voor me kan doen.
Rare man, en mij bracht hij alleen maar thuis, mij hielp hij niet, haar wel.
Zij had hem mijn waarheid alsnog verteld.
Mijn echte waarheid!
Mijn echte waarheid gaat niemand iets aan, alleen mijzelf.
Maar die meneer, zo vriendelijk, zo aardig, die wist nu al die vieze dingen van me die ik had moeten ondergaan.
Beschaamt open ik mijn deur.
“Waarom heb je tegen die meneer gelogen?” vraagt ze vol medeleven.
Alsof ik de waarheid had kúnnen vertellen!

Verse appeltaart, en schimmels uit het verleden

Het is vandaag 10 augustus, en ik gedenk mijn laatste dag op de boerderij,
het ouderlijk huis,
de martelnacht waar ik zwaar gehavend uit weggevoerd werd.
Dat is lang geleden.
Nu ben ik in het heden,
al doet mijn buik wat pijn bij de herinnering
omdat zoiets in je lijf en geest gegrifd staat als een deel van je bestaan.
Je kunt het overschrijven met andere belevenissen, maar het blijft bestaan,
zoals onkruid dat onder het afvalt zijn weg zoekt.

Vandaag wil ik lekker eten en vertroeteld worden.
Een voetenmassage, een warme deken, een arm, een hand, of twee.
Want ik weet wat eenzaamheid is.
Als een kind in de dode zee, om me heen grijpend naar houvast. Maar zelfs geen wrakhoutje komt langsdrijven. Op eigen kracht de wal bereiken.
Druipend met voorover gebogen hoofd ben ik de wereld in gelopen als een dwaler, een dwarrelaar.
Bij het verstrijken van de tijd ging mijn hoofd omhoog, en af en toe denk ik zelfs dat de kromming uit mijn rug verdwenen is, door alle warme handen die er op lagen.

Vandaag bakte ik een taart, een echte taart,
om te delen.
Want als kind had ik altijd honger,
stal ik soms een sneetje brood
en propte het in mijn mond
als een hongerig dier,
het gretig naar binnen slikkend zonder te kauwen, uit angst om betrapt te worden.
Nu hoef ik geen brood meer te stelen,
nu heb ik mensen die met mij,
en met wie ik kan delen.
Hier een stukje taart, voor al mijn favorieten!
Als ik iets van feestjes snapte dan gaf ik er nu een
en bakte er nog een paar.

Ik heb er zo'n spijt van

Ik hield zielsveel van je.
Jij was zelfs de enige waar ik van hield.

En toen…
Alle vragen, alle liefde, alles waar we mee speelden.
Alles werd weggevaagd.
Je vond mij, net als ieder ander, een lastpak,
en het was beter dat ik weg was.
Leven onder druk was voor jullie beter
dan strijden.
Al werd jouw leven er veel slechter door
je was blind voor de waarheid.
De waarheid onder ogen zien
vraagt om daden.
Je geloofde liever de vijand.
Zoals ieder ander.
Want jullie waren, en zijn, liever slachtoffer,
voor de rest van je leven.
Dan ben je nimmer verantwoordelijk voor je ongeluk.


Ik miste je.
Maar had ik je wel gekend?
Had ik mijn liefde voor jou niet veel groter gemaakt dat het was?
Broertje,
jij,
mijn broertje.
Je weerspiegelt je beide ouders in het kwaad.
Jij oude, misvormde man
met een veel te grote mond
die niet van zich laat houden,
ziet de splinter in ieders' oog.

Ik zie je als klein mollig jochie van 3 die aan me hing.
Of verbeeld ik het me, is het mijn misvormde herinnering.
Was het alleen mijn fantasieliefde als houvast?

Ik had je zo graag zien opgroeien, ik had zo graag jaren van je willen genieten, antwoorden geven op je duizenden vragen, je troosten, je beschermen tegen de grote boze geest.
Zoals ik zo vaak de straf op me had genomen, omdat het me meer pijn deed jouw pijn te zien dan het zelf te ondergaan.
Maar jij, oude man, mijn tegenpool in werkelijk alles,
ik heb er zo'n spijt van dat ik je heb leren kennen
in het nu.

Gehandicapte in de playboy

30 januari 2008

Gehandicapte in de playboy. Dat stond in de kop.
Ik geloof mijn oren niet.
Een meisje waarvan 1 arm is afgerukt. Een heel mooi meisje. Die ook nog praat:
"als je ECHT iets wil kun je het ook bereiken. Zelfs in de playboy kun je komen".
Alsof dat het hoogste is wat een mens bereiken kan.
Maar over die uitspraak kan ik echt razend worden.

Ik ken veel mensen met een handicap, mensen met afgezakte gezichten wegens verlamming, mensen met spasme die niet meer kunnen wijzen naar een bepaald punt, die niet meer zelf kunnen lopen of staan. Mensen die letterlijk krom gegroeid zijn en alleen de grond nog zien. Mensen met heftige verminkingen. Mensen die blind zijn. Mensen die niet (meer) aan zelfbevrediging kunnen doen, en (vrijwel) niemand die ze er gratis bij wil helpen.
Mensen die bij alles moeten worden geholpen.

Dacht je dat die niet ECHT iets willen bereiken? Of het op zijn minst ooit hebben gewild, al was het maar opstaan, zelfstandig lopen, je eigen drinken pakken wanneer je maar wilt. Zelfstandig naar de wc gaan of douchen zonder hulp.
Maar die mensen hebben geen mooie strakke volle borsten, die hebben geen jong gezicht, geen strakke buik.
Ik gun dit meisje in de playboy haar geluk, geld en vrijheid beslist wel. Maar de uitspraak "als je ECHT iets wilt bereiken" had ze wat mij betreft beter niet kunnen noemen. Voor iemand met een handicap had ze beter moeten weten.

Er zijn veel meer vrouwen met een handicap die de weg gezocht hebben naar acceptatie, naar erkenning, naar mooi zijn, of gezien worden, maar afgewezen zijn, omdat ze nu eenmaal niet beschikken over die uiterlijke kenmerken die dit ene meisje wel heeft.

Het lukt niet meer zonder pil

"Heb je je pil al genomen?"
Iedere keer als we samen naar bed gaan stel ik hem de vraag: heb je je pil al genomen?
Meestal heeft hij excuses om het uit te stellen, en zeur ik: "het duurt algauw een uur voor het werkt."
Het lukt al jaren niet meer zonder pil in bed.
"Laten we nou op tijd naar bed gaan, anders slapen we zo laat," zeur ik door.
Hij zegt daar nooit iets op maar treuzelt enorm, en ik weet het dan al hoe laat het is.

Om half 10 liggen we er eindelijk in.
Hij pakt het boek van het nachtkastje. "Wat zullen we vanavond lezen?"
"Iets van over de krekel en de mier
die niet willen slapen maar het toch doen."
Ik kruip dicht tegen hem aan, leg mijn hoofd op zijn schouder en sla mijn arm om zijn middel.
Aandachtig luister ik naar zijn mooie stem die de verhalen van Toon Tellegen prachtig kan vertolken, en zachtjes streel ik zijn borst.
Van deze avonden geniet ik, zo dichtbij hem, zo heerlijk warm samen, als een krekel en een mier.
"Mooi hè," zegt hij zacht.
Mijn strelende hand antwoordt bevestigend.

We analyseren het verhaal uitgebreid, en dromen ervan hoe heerlijk het wel zou zijn om
overvallen te worden door de slaap.
Ik aai zijn gezicht.
Mijn pil doet zijn werk snel, ik draai als een tol en weet dat ik binnen 5 minuten
in een gat val met de deksel erop.
Maar zijn pil doet nog steeds niets.
Vroeger was dat wel anders, vroeger was trouwens alles anders.

Huilbaby in een boerenkoolbedje

Ooit, tijdens het tuinieren, vermaakten een manmens en vrouwmens zich met elkaar
waardoor een vroegtijdige oerknal plaatsvond.
En zo ontsproot ik aan de boerenkool.
Dat gelooft u natuurlijk niet maar het is echt waar!
En ik kan het bewijzen want op mijn hoofd groeit boerenkool.


Omdat ik melk te drinken kreeg van het vrouwmens kwam ik in opstand,
ik hield niet van mensen en helemaal niet van hun melk.
Ook moest ik luiers dragen en het gevolg daarvan hoef ik niet uit te leggen natuurlijk,
welk levend wezen wil nou echt graag in zijn eigen ontlasting liggen?
Ik had nog niet geleerd te praten dus moest ik huilen om aan te geven dat ik het anders
wou hebben. Maar zij begrepen mijn huiltaal niet.
Mijn bedje stond achter het huis zodat ik genoeg ruimte had om te schreeuwen.
Eigenlijk was ik een soort vogelverschrikker want er kwamen nooit inbrekers of
enge mannen, ook hoefde men niet bang te zijn dat ik zou worden ontvoerd.
Wie heeft er nou behoefte aan een huilbaby?

De dieren waren al snel aan me gewend.
Als ik erg hard huilde kwam de poes me soms kopjes geven
en ging dan aan het hoofdeinde liggen met haar pootjes op mijn hoofd.
Ik weet het nog heel goed. Daarom hou ik nu nog steeds van aaitjes over mijn hoofd.
Als ik echt heel erg huilde kwam ook de hond erbij om mijn neusje schoon te likken.
Ik herinner me dat nog heel goed. Het was dan heerlijk veilig in mijn bedje.

Ik zal zo ongeveer 3 maanden oud geweest zijn toen ik weer uit mijn bedje gehaald werd
en vrouwmens’melk moest drinken.
Meestal kwam dat er vrijwel direct weer uit want het was echt heel vies.
Die keer, ik weet het nog goed, lag ik net zo lekker te slapen
met de poes op mijn hoofd toen ze daar stond, dat grote vrouwmens
met haar grote melkgevers die me als grote gevaartes bedreigden,
ze waren zó groot dat ze me wel konden verpletteren!
Het vrouwmens joeg de poes weg,
sloeg het lakentje van me af,
en toen begon ik meteen te huilen, want ik wou blijven slapen.
Als kind al hield ik van slapen; hoe langer hoe dieper, of was het andersom?

Toen ik haar vieze melk moest drinken besloot ik tanden te laten groeien
zodat ik het vrouwmens kon bijten.
Maar toen dat eenmaal gebeurde besloot ze me voortaan een fles te geven
met nog veel viezere melk.
En ik huilde nog harder.
Er kwam een manmens bij en die riep - ja, ik weet het nog heel goed-
hij riep: waarom ben je toch altijd zo'n lastig kind!
Waarom ben je niet zoals onze andere kinderen.

Die vraag is in mijn hoofd blijven hangen.
Destijds kon ik nog niet praten maar als ik dat wel had gekund had ik de vraag
onmiddellijk omgekeerd: waarom zijn zij niet zoals ik?
Maar het antwoord weet u natuurlijk al: ik kom uit de boerenkool, zij niet.

Niet met die meneer mee Brenda!

Hij rende een poosje met me op, en had het naar zijn zin, dat zag je zo.
Maar het mocht niet want zijn mevrouw riep weinig overtuigd: “Niet met die meneer mee, Brenda!”
Brenda?
Die hond?
Meneer?
Ik?
Goed, met de bolletjesmuts van mijn man op, en zijn winterjas aan, reed ik in mijn karretje door het natuurgebied. Maar dat maakte me toch nog geen meneer?
“Brenda kom, hee, kom, we gaan er lekker vandoor” moedigde ik Brenda zachtjes aan.
En Brenda vond het best, bij de bocht stopte ik even, en tikte op de bagagebak, “kom maar, kom”. Het leek me prachtig er met Brenda vandoor te gaan want een hulphond kan ik best gebruiken.
Hij kwam dichterbij, kwispelend en likte mijn hand maar weigerde in mijn bak te springen.


“Brenda, hier. Brenda hier!” schreeuwde zijn mevrouw.
“Blijf maar bij mij, Brenda,” voerde ik de strijd op. De mevrouw was toch te ver weg om me te verstaan. "Bij mij heb je het veel beter. We gaan iedere ochtend langs de schapen."
Uit mijn zak haalde ik een sultana, misschien lustte hij het wel. Liefde van de man gaat door de maag. Brenda is toch een man? Waarom zou hij anders achter me aan hollen.
Maar hij rook alleen even aan de sultana en vond het niet interessant er zijn tanden in te zetten.
Zijn mevrouw was dichterbij gekomen en ze was bezorgd: “Ze doet niets hoor meneer, ik snap er niets van dat ze met u meeging, dat doet ze anders nooit. Brenda is ondeugend, hè, Brenda?”
Ze sprak niet tegen mij.
“Brenda, liefje kom.” En Brenda sprong tegen haar op en ze aaide zijn kop alsof ze tot ver over haar middel verliefd werd.
“Ik ga verder”, zei ik met mijn liefste stem, zeker wetend dat mijn stem in ieder geval nog vrouwelijk is.
Maar de mevrouw keek niet eens op.
Ik ga ongetwijfeld de geschiedenis in als die meneer aan wie ze Brenda bijna kwijt geraakt was.

Onder mijn kleren ben ik niet normaal

Links in de gang zit een man in een rolstoel, helemaal alleen.
Niemand is bij hem.
Even later wordt er een man in pyjama, in rolstoel, er naast gezet. Ook alleen.

Waarom heb ik mijn braces niet direct afgedaan, ze knellen.
Zometeen doe ik ze wel uit, als ik het durf. Alleen maar de ritsen van mijn broekspijpen openen. Iedereen zal mijn benen zien. Iedereen zal mijn afzichtelijke braces zien.
Ik durf niet, ik ben de mooiste vrouw hier, ik ben de enige die ogenschijnlijk normaal is.
Wacht, we zitten tenslotte in de wachtkamer. Straks doe ik ze uit, als niemand het ziet, want onder mijn kleren ben ik niet normaal.
Een oude man in een ziekenhuisbed met gele sprei, wordt door de gang gereden.
Zijn mond hangt een beetje open.
Ik krijg buikpijn. Mijn geest staat niet meer stil, mijn lichaam werkt als een paard.
Al die herinneringen. De eenzaamheid in het ziekenhuisbed, overgeleverd aan de verpleegsters en artsen. Geen eigen kracht, liever doodgaan dan onder het mes en weten dat je kwaliteit gehalveerd is.
Maar je hebt geen keus, je ligt in het bed vastgebonden en de verpleegsters en artsen spreken je vriendelijk toe.
Maar je bent alleen, je weet dat het geen betrokkenheid is.
Er is niemand achter je, niemand in de wachtkamer, niemand thuis, niemand in een ander huis. Niemand die op je opvangt na afloop, niemand die heel graag wil dat je weer beter wordt.
Het maakt niemand iets uit wie je bent en hoe je bent, zelfs niet óf je bent.

Naast me zit een vrouw verbonden met een infuus aan een rijdend statief met slangetjes en een grote fles.
Ze zit stokstijf stil. Schreeuwt af en toe dat het zo lang duurt. Ze zegt haar hand niet te kunnen bewegen door de naald in haar arm. Daarna verstijfd ze weer.
Het doet me niets, ik kijk haar niet aan om geen gesprek aan te gaan.
De braces lijken mijn bloedvaten af te knellen, mijn hersenen verbrijzelen onder de druk.
Ik stik. Had me zo vaak voorgenomen nooit meer naar een arts te gaan, en nu zit ik weer hier.
Altijd die opstandigheid, altijd die stommiteit, altijd die hoop.

Ze laten me een heel eind lopen als ik aan de beurt ben.
Het kleedkamertje is groter dan vroeger. De deur oranje. Ik moet niet vergeten de deur op slot te doen, maar het maakt niets uit wie me ziet. In het ziekenhuis is je privacy onbelangrijk.
Niet zeuren, je bent toch ziek net als iedereen. Kleed je uit en ga liggen.
Een jonge dokter onderzoekt me.
Ik weet dat de afdrukken van de braces als rupsbanden op mijn benen te zichtbaar zijn.
Beweeg ik me niet te houterig of te lenig?
“Zucht eens diep”, en “draai je eens om”, is het enige wat er gezegd wordt.
Hoe gedraag ik me, is mijn ondergoed wel netjes, zit het goed, is het niet klein of te groot.
Wat is de mode van ondergoed tegenwoordig.
Ik moet alles buitensluiten, niets voelen. Hij is een dokter die me onderzoekt op kwalen, geen man die me bewonderd om mijn schoonheid.
Straks ga ik weer naar huis zonder dat er iets veranderd is, behalve in mijn geest, daar spoken de artsen met messen, pincetten, naalden en mondkapjes. En ik ben hun proefkonijn:
je ziet er niets meer van,
alleen nog op de foto.

Pjoewww

Ze springt onverwacht achter de heg vandaan, rechtstreeks de straat op, zonder uit te kijken.
Met gespreide armpjes en beentjes probeert ze me tegen te houden.
Ze is te klein, of de straat te breed. Met gemak kan ik langs haar heen.
Maar als een verkenner moet ze stiekem een teken hebben gegeven aan anderen kinderen
want in een mum van tijd staan er wel 20 kleintjes voor me die mijn weg versperren.
Altijd joelen ze me uit, want mijn vehikel en ik zijn traag.
Nooit heb ik gereageerd, misschien zouden ze er dan snel genoeg van krijgen.
Maar pest-kinderen gaan door tot ze bevredigd zijn, hun geduld raakt niet zo snel op als het mijne.

Vandaag heb ik nieuwe zwarte banden onder mijn vehikel. Dat staat heel agressief.
Voor ik op straat ging zei ik nog tegen man dat ze me nu vast en zeker niet meer durfden te pesten.
Toch kun je op pesters niet rekenen.

“Pjoewww, pjoewww,” roept een jochie terwijl hij achter een schutting vandaan komt, “pjoewww, pjoewww.”
Ook andere kinderen beginnen te pjoewwen en houden hun handjes als pistolen op me gericht.
“Pjoeww, jij bent dood.”
Ze beginnen allemaal te roepen dat ik dood ben.
Een klein meisje met prachtige, lange, zwarte, krullende haren roept dansend:
“ze is dood, ze is dood.”
Haar krullen zwieren vrolijk mee op en neer: dood,dood, dood.

Ik ben dood.
En dat geeft mij de kans...
om ...
vol gas!

Verscheurde levens

Op zijn hurkjes zit broertje aan de andere kant van de oude pan waarin ik modderpap heb gemaakt. Met onze vingers eten we de gekookte modder. "Mmm, lekker hè" zeg ik tegen hem, en hij likt zijn vingertjes schoon. Niet dat we de modder echt eten.
"Pap lekker hè?", fluistert broertje. Voorzichtig kijk ik om me heen of mama niet in de buurt is voor ik antwoord geef, "Ja, deze pap is lekker."
Ineens springt broertje op, "kijk, kijk!" Opgetogen wijst hij naar de auto die het erf op rijdt.
Ik krijg een vreselijk angstig gevoel. Dit is niet goed, er gaat iets vreselijks gebeuren.
De grote witte auto stopt naast het huis. De achterkant ervan zakt naar beneden zodat hij dreigend onze kant op staart.
Het portier gaat open.
Ik vergeet adem te halen, "broertje", meer kan ik niet zeggen.
Als ik de deftige mevrouw uit de auto zie stappen pak ik broertje bij zijn handje en trek hem mee achter de schuur.
"Ze komt ons halen, echt waar, ze is van het gesticht." Ik trek broertje aan zijn hand dicht tegen me aan. "Dat zie ik omdat ze zo streng is", ga ik verder.
"Spin", zegt broertje en kijkt me vragend aan.
"Ja, dan krijgen we spinnen te eten."
Om het hoekje van de muur zie ik hoe de mevrouw buiten staat te praten met mama. Ze kijkt om zich heen.
Ik schiet weer terug achter de schuur, "ze kunnen ons hier niet zien", overtuig ik broertje, "straks gaat ze wel weer weg."
Broertje knijpt heel hard in mijn hand, en brabbelt mijn naam.
Ik knijp terug.
Op datzelfde moment grijpt een meneer broertje bij zijn arm en trekt hem los van mij.
Waar kwam hij opeens vandaan?
"Broertje!" gil ik, "blijf van broertje af!" en ik sla de meneer op zijn benen. Hij tilt broertje op en loopt met ferme passen naar de grote auto.
Ik ren er achter aan. Broertje is stil. Hij is altijd stil. Zijn kleine mollige armpjes strekt hij naar mij uit. Woest schop ik tegen de meneer zijn enkels. Hij loopt gewoon door.
Bij de auto staat de deftige mevrouw.
Zie je wel, ze is van het gesticht.
Ze heeft de deur al open staan.
Door mijn tranen heen zie ik broertje die me met zijn grote ogen smekend aankijkt.
Machteloos kijk ik toe hoe ze instappen met broertje. Zijn ogen priemen in de mijne, het is alsof hij roept: “ik wil bij jou blijven”.
Ik wil ook dat hij bij mij blijft maar ik kan niets doen, ik kan helemaal niets doen.
“Broertje, broertje”, schreeuw ik en ren achter de auto aan die het erf afrijdt.

En zelfs nu, bijna 40 jaar later zit ik te huilen om onze verscheurde levens.
Alsof ik jou, broertje, voor altijd beschadigd heb doordat zij het vertrouwen wat jij in mij had kapot maakten en ik je niet kon redden.
Lief broertje, ze moeten je beschadigd hebben, dat kan niet anders na alles wat er verder in je leven gebeurde, waar ik geen weet van heb.
Waarom ben je geboren met datzelfde slappe karakter als je moeder. Waarom keerde je mij de rug toe? Hadden ze jou ook afgeleerd van iemand te houden? Je aan iemand te hechten? Waarom wil je mij niet kennen. Waarom, waarom liet je je indoctrineren? Waarom maakte je niet je eigen keuzes.
Waarom, lief broertje, waarom is er geen antwoord op verscheurde levens.

Ik heb je in je wieg in het weiland horen huilen. Ik heb je uitgestrekte armpjes gezien, je duizend vragen gehoord, en altijd als we weer herenigd werden je lieve lach gezien alsof er niets gebeurd was.
Ik heb geprobeerd je te vergeten, je dood te schrijven. Ik heb geprobeerd je los te laten. Maar ik kan het niet.
Zou je mij nog kennen?
Zou jij je deze dingen nog herinneren?
Dingen die onze levens verscheurden.

Wie is die vrouw?

“En wie is die vrouw dan?” vroeg schoonmoeder toen ik vertelde dat BeeGee op vakantie gaat met een ander.
“Francine,” antwoordde ik.
Schoonmoeder werd alert, haar ogen gingen verder open en ik weet niet of ik het me verbeelde maar ik dacht dat haar pupillen zwarter werden.
Ze wilde alles weten over Francine, wat voor werk ze deed, of ze een auto heeft. “Ja, en zelfs een boot” probeerde ik zonder afgunst te vertellen.
“En wat doen haar ouders?”
Ik wist het niet, ook niet of ze gescheiden is of kinderen heeft. Ik weet verder niets over Francine, maar gezien haar wilde levensstijl en bezittingen vermoed ik van niet.
Schoonmoeder leek tevreden met mijn antwoorden. Dromerig keek ze door het raam de tuin in. Zag ze kleinkinderen huppelen? Of zag ze op het bankje onder de seringenstruik haar perfecte schoondochter zitten over wie ze trots aan anderen kon vertellen. Haar zoon met z’n goede vrouw. Dat was nog eens wat anders dan haar zoon met een thuiszittende gehandicapte. Dat laatste vertel je natuurlijk niet graag aan anderen. Je zou je maar schamen.
“Is ze gezond?”
Het was of ik een dergelijke vraag verwacht had. Ze sloeg me er recht in mijn ziel.
Is ze gezond…
Is ze niet gehandicapt.
Is ze vruchtbaar…
Zoiets kan die vraag betekenen.
“Geen idee”, antwoordde ik en liep naar de kamer van schoonvader. Hij zal nooit zulke vragen stellen. Hij zal vragen hoe het met me gaat.
“En, wanneer gaat BeeGee op vakantie?” Waren zijn welkomstwoorden, en ik wist niet waar ik heen moest gaan, thuis zat BeeGee, in de keuken zijn moeder. Het liefste zou ik gaan fietsen, naar buiten. Buiten is mijn thuis, buiten mag ik zijn wie ik ben, buiten is niemand die zegt dat ik niet goed genoeg ben.

Kom, we gaan naar boven

"Kom," zei Truus, altijd in voor een avontuur, "we gaan de bloemetjes buiten zetten bij Piet."
Truus' enthousiasme werkte aanstekelijk en ik kon nooit weigeren.
Zij wist dat oudere mannen haar aantrekkelijk vonden. Ze lachte graag en daagde ze uit.
"Aan die ouwen heb je tenminste wat, die betalen je wel," wist Truus, "altijd makkelijk als we op avontuur uit gaan."
En we gingen nogal eens op avontuur.

Piet was eigenaar van een café en woonde er boven.
Truus kreeg een wijntje en ik niets want ik was nooit geliefd, bovendien dronk ik alleen appelsap en dat was niet interessant om uit te delen.
Ik was hard en koud en weerde mannen, vooral oudere.
Men wantrouwde mij altijd, net of ik iets op mijn kerfstok had. Ze hielden me in de gaten.
Nergens voor nodig, want ik deed niets. Ik had genoeg aan mijn eigen leven.

Even later riep Truus me, "Appeltje, kom, we gaan naar boven."
"Nee hoor, niet naar boven", zei ik angstig.
Maar Truus had de knoop van haar broek getrokken, en die mocht ze weer even vastnaaien, boven. In de kamer van Piet.

Net zoals anderen mij wantrouwde, zo wantrouwde ik hen ook. Piet was natuurlijk uit op heel andere dingen, en ik zou nooit vrijwillig naar boven gaan, en Truus moest dat ook niet doen!
Maar ze ging, en ik dacht: als ik niet meega heeft hij vrij spel, dan is het mijn schuld als haar iets overkomt.
Ik liep achter haar aan de trap op.
Er hingen jassen aan de muur, Truus stak haar hand in een zak. Heel angstig fluisterde ik: "niet doen, joh, niet doen, dat is niet van ons, straks betrapt hij je nog." Maar Truus lachte, ze vond het prachtig, "welnee, hij verdenkt ons niet."
Zij had haar spelletje goed gespeeld door de verleidster uit te hangen.

Toen we boven waren kwam Piet ook. Ik werd bang, minstens zo bang als vroeger. Hij zou het doen met ons.
Truus flirtte en trok haar broek uit. Dat maakte me helemaal bang. "hij moet wel uit, anders kan ik niet naaien," zei ze lachend. En Piet bezorgde haar naald en draad, en streelde over haar hoofd.
"Niet doen!" riep ik in een beschermingsreflex.
"Wou jij soms?" vroeg hij met een smerige lach. En Truus schaterde, " ja, neem haar maar, die brave gek doet nooit wat."
Ik stond op, zeker weten dat ik sterker was dan die vent. Hij zou me niet aanraken, niemand zou me ooit nog aanraken! Ik zou ze allemaal van me afslaan. Ik was oersterk!
Hij keek minachtend en bekeek me van top tot teen, "daar zit niks aan," en hij ging de trap af. mij met een rood hoofd, en Truus schaterend, achterlatend.
En Truus wist waarom ze lachte; zij had een goede vangst gedaan in die jaszak.
Buiten vertelde ze het me, honderd gulden. We moesten meteen naar de winkel voor kleren en make-up voor haar.

"Het was toch voor als we op avontuur gaan?" zei ik haar.
Maar Truus vond dat ze er netjes bij moest lopen, "wij opgeslotenen worden toch al met de nek aangekeken."
Ja, Truus had in een gesloten tehuis gezeten, ik niet.
Braaf liep ik met haar mee de winkel in waar ze bloesjes en een broek paste.

Vlak voor de kassa gaf ze mij het geld en zei dat ik moest betalen.
Net toen ik het geld aan de caissière wilde geven werd het uit mijn handen getrokken.
Daar stond Piet naast me. Hij schold me uit en zou het tehuis waarschuwen.
Hij had me altijd al verdacht, mijn loensende ogen hadden verraden dat ik niet te vertrouwen was.
En Truus stond erbij of het haar niet aanging.
Ik schaamde me verschrikkelijk, zo vaak werd ik onterecht beschuldigd.
Maar ik kon niet zeggen hoe het zat. Het kwam niet eens in me op om Truus te verraden.
Bovendien zou hij dat nooit geloven; ik was zo schuw dat ik wel onbetrouwbaar moest zijn,
en Truus was zo'n open gezellige meid…

Deutronomiem

Op ene middag stond Adam op uit de handen van God. En wandelde dag in dag
uit door zijn land en bekeek alles om zich heen wat hij gekregen had. Hij
was tevreden. Het was goed, zeide hij tot zichzelve en ging onder een boom
zitten knabbelen aan een vijgepit.
God zag het aan. Alles wat Hij met zorg had gemaakt, alles waar Hij dagenlang hard voor gewerkt had, dat liet Adam onberoerd, hij wandelde en at van alles.
God vond dat er iets gedaan moest worden aan de luiheid van Adam en daarom nam hij een adder en maakte van het vel een vrouw.
God wist dat vrouwen sterker waren en beter in staat om een land vooruit te helpen. Maar hunner schoonheid zou hun kracht verbergen.
De vrouw was beeldschoon en Adam noemde haar Eva. "Eva, mijn schone vrouwe"
weende hij van verlangen, toen hij haar aanschouwde.

Omdat hij Eva van God had gekregen, dacht Adam dat hij met haar kon wandelen,
om haar, net zoals zijn land, te bewonderen.
Adam vond alles goed zoals het was, maar Eva wilde meer. Zij zag overal mogelijkheden. Ze wilde niet haar leven wandelend slijten en begon over zaaien en oogsten.
Ook maande ze Adam aan tot werken.
Al ras werkten zij op het land, zaaiden en oogsten cassave en mais.
Eva was tevreden maar Adam miste zijn vrije wandelingen en was moe van het werken.

Na de oogsttijd nam Eva pauze want ze had pijn in harer schoot.
Eva zeide tot Adam dat God niet de enige was die schepsels kon maken, zij kon het ook alleen duurde dat wat langer.
Adam bracht haar verse vruchten en was bezorgd want wie moest er nu voor hem
zorgen?
Op een middag kwam er een schepseltje uit de schoot van Eva, ze noemden het Heb-kind.

Eva ploegde spoedig weer op het land.
Heb-kind was klein en afhankelijk, alle dagen weende het menigmaal en Adam werd er nog vermoeider van dan van werken. Ook moest Heb-kind verzorgd worden, het kon niets zelfstandig ondernemen.
Eva weende stilletjes als zij Heb-kind op schoot had, want het moest wel erg ziek zijn dat het zo weinig anders deed dan huilen en drinken.

Toen lag aan hare voeten een adder. "Eva, Eva, u zijt toch mijner familie."
Eva lachte, ze vergat haar verdriet. "Natuurlijk." Want problemen maakte Eva nooit.
Nog al die jaren waren zij naakt geweest.
De slang kronkelde om haar benen en sprak dat zij een kind had gebaard van Adam, maar dat dat een bastaard was, zij had een schepsel moeten maken met hem, de slang, iets van haar eigen soort want zij was toch zelf gemaakt van een slang?
En hij voegde daad bij het woord.
Eva was nog nooit in de hemel geweest maar op dat moment was ze er.

Toen Adam 's avonds thuis kwam zag Eva zijn lichaam en wilde weten of ze met Adam ook naar de hemel kon.
Ze nodigde Adam uit. Dagelijks nodigde ze hem meerdere malen uit, want Eva wilde steeds weer naar de hemel maar die was ver weg.
Tot ze op een dag aanzag hoe de oogst was mislukt, en dat enkel door haar verlangen.
Ze stond op, scheurde drie vijgebladen van de boom en plakte die met hars op hunner venusheuvels.
"Werken zullen wij Adam en Heb-kind. Werken, want je valt toch steeds weer snel uit de hemel terug op aarde."

En Adam weende, hij dacht dagelijks terug aan het leven zonder vijgeblad.
En Eva was tevreden zoals het nu was, zij beheerste Adam, en zag dat het goed was.

Kinderwens

Dat had hij: een kinderwens.
Maar het mocht niet.
Zijn wens kon nooit in vervulling gaan,
of het moest al stiekem gebeuren, maar dat zat er voorlopig niet in.

Eens had hij een jongetje in het park lief gestreeld,
dat jongetje had het niet zo erg gevonden.
Dacht de man,
hij was toch lief geweest?
Maar de ouders van het kind waren woedend geworden.
Het kind moest hierdoor in therapie
en de man opgepakt door de politie.
Ook hij moest in therapie.
Daar kwam naar voren dat hij er niets aan kon doen dat hij zo’n kinderwens had.
In zijn jeugd was hij eens door een grotere jongen betast en daar had hij nog altijd last van.
Ook was hij eens verliefd geweest op zijn nichtje toen hij 8 was, maar zij wilde niets van hem weten.
In de therapie leerde de man dat het goed was om lotgenoten te zoeken zodat ze samen beter met hun kinderwens om konden gaan.

Gestraft voor je bestaan

Babs had verteld dat ze in de zomervakantie voorgoed in het pleeggezin mocht wonen waar ze nu al 2 jaar, ieder weekend en vakantie, kwam.
Wij zaten altijd vol spanning te wachten op haar terugkomst want ze kon prachtig vertellen wat ze er beleefd had.
Sommige van ons waren wel een tikkeltje jaloers, wie wilde er niet in zo’n gezin!
Hoevelen moesten ieder weekend naar hun eigen ouders waar de spanning vaak om te snijden was. Waar ze niet echt welkom waren, of waar ze steeds maar verteld werd hoe waardeloos ze wel waren. Nee, Babs had het goed.

Het was moederdag en Babs had de vorige dag een kettinkje voor haar pleegmoeder gekocht van haar karige zakgeld. Ze was zo opgetogen geweest toen ze ‘s middags vertrok.
Maar ik was bang, zoals altijd op speciale dagen want hoeveel meisjes kwamen er dan weer huilend of heel boos terug? Vaak eerder dan afgesproken? Ruzie met de ouders was meestal de reden. Soms huilden ze al als ze er naar toe moesten.
Maar dat zou Babs natuurlijk niet overkomen, zij had het geweldig.
Dat dacht ik nog toen het ochtend werd. Hoe blij de pleegmoeder van Babs was met het kettinkje en dat ze het áltijd zou dragen en dat ze Babs in haar armen zou nemen en door haar haren zou strelen.
Dat stelde ik me voor.
Maar het was heel anders gegaan.

Babs kwam in de middag boos terug en duwde de leidster opzij die haar mee wilde nemen naar het kantoor. Ik trok de leidster bij Babs vandaan. Hoe goed wist ik dat je mensen in zo’n bui met rust moest laten, zeker als je niet van “één van ons” was.
In de avond, toen er meer meisjes terug waren gingen we naar Babs.
Op haar kamertje zaten we met zijn vijven en hoorden vol verontwaardiging het verhaal aan.
We geloofden elkaar altijd, want we logen alleen tegen de grote mensen die over ons leven beslisten, niet tegen elkaar.

Babs was weggestuurd bij die rotmensen die haar eerst zo lief hadden behandeld maar dat was maar schijn, ze hadden het zeker voor het geld gedaan, of voor hun gemoedsrust, want Babs was helemaal niet van hun en zou dat nooit worden.
Wij zwegen en lieten haar uitpraten.
Ze was vroeg in de ochtend verkracht door de zoon, de échte zoon, van haar pleegouders en dat had ie al vaker gedaan. Maar nu was de pleegmoeder binnen gekomen omdat ze teveel lawaai had gemaakt, ze had gegild dat hij op moest houden.
En toen stond pleegmoeder daar.
Babs had gezwegen.
Wij waren al lam geslagen in een eerder leven, en hadden toen al geleerd dat wij nooit sterker waren dan de anderen.
Pleegmoeder beschermde haar zoon, hoe grof die ook boven op haar had gelegen in haar bed, niet het zijne. Het was Babs geweest die haar zoon had verleid en gedwongen.

Zo kwamen ze onschuldig van Babs af.
En Babs zei de waarheid alleen tegen ons. En wij zwegen, zoals we altijd elkaar vreselijke dingen vertelden die we nimmer aan voogdessen of groepsleidster of psychologen vertelden. We hadden een stilzwijgend verbond.
Wij konden elkaar niet helpen, maar dat deden de grote mensen ook niet, die konden je alleen straffen voor je onschuld.
Wij waren al gestraft door onze ouders die ons niet wilden, en wij werden uit onze vertrouwde gezinssituatie gehaald, wij waren niet schuldig maar werden in tehuizen gestopt. En naar pleeggezinnen gestuurd waar je weer weggegooid werd als je niet aardig genoeg was, of als de zoon, opa, vader of oom last van zijn identiteit kreeg.

Zoals velen van ons, besloot ook Babs niemand meer te vertrouwen. Misschien was het niet besluiten maar een reflex om jezelf te beschermen tegen pijn die anderen je aandoen.
Babs vroeg mij om geld. Ik had altijd geld, want ik gaf het nergens aan uit.
Waar ze het voor nodig had vroeg ik niet en gaf haar tien gulden.
Ze kwam thuis met een touw. Ze keek me bijna wanhopig maar toch ook opstandig aan. Maar ik zei niets.
Toen we ’s avonds met alle meisjes op mijn kamer zaten was er weer dat stille verbond.
We wisten wat Babs met dat touw ging doen. Maar we zouden haar nooit verraden!
We zouden niemand verraden. Ook de meisjes die hun polsen vol lettekens hadden van het foute snijden zouden niemand verraden. Zelfs de bange Judy zou niets zeggen maar onder haar bed kruipen, of angstig bij mij komen.

Ik had een klein beetje bewondering voor Babs. Want hoe vaak had ik zelf vroeger over die daad nagedacht? Hoe vaak had ik met het landbouwgif in mijn hand gestaan, het flesje open en diep adem gehaald om het flesje leeg te drinken?
Maar ik had besloten dat niet ik dood moest maar degene die mij het leven onmogelijk maakte. Maar dat is, als je kind bent, nog niet zo eenvoudig.

De volgende dag is Babs weggehaald bij ons, niemand wist waarheen, dat werd ons niet verteld.
Het touw hing aan een kleerhanger aan de deur, ongebruikt.

Het lukt niet

“Het lukt niet, ik krijg hem er niet in”, lachte Babs.
“Je moet je benen ver uit elkaar doen”, riep Roelie.
Babs werd na herhaalde pogingen wanhopiger, “het gaat echt niet! Wat een teringding. Zo kan ik toch niet zwemmen?!”
Het duurde niet lang voor ik begreep dat het over tampons ging.
Babs was 12 en misschien nog wel maagd, zulke dingen wisten we niet echt van iedereen.
Ik haatte die rottige tampons ook en kreeg ze er eerst niet in, of met heel veel pijn, maar ik had van mijn voogdes een flesje glijmiddel gekregen, “dan is het niet zo droog en glijdt het makkelijker”, had ze gezegd.
Dus ging ik met het flesje naar de wc en gaf het aan Babs die meteen de deur weer op slot deed want de wc was te klein voor 3 personen.
“Whowwwww”, hijgde ze dankbaar achter de deur.
Ik kreeg het flesje niet terug want: “ik ben nog wel een hele week ongesteld.”
Het flesje kreeg ik nooit meer terug want na Babs kreeg Truus haar menstruatie en na Truus Gea, en na Gea Roelie en na Roelie … ik.
En toen was het flesje nergens meer te vinden.

Wat me altijd heeft verbaasd is dat er op geen bijsluiter staat dat je met een glijmiddel die dingen er prettiger in krijgt. Tegenwoordig hebben ze er een speciale coating omheen gedaan, dan gaat ie er makkelijker in, maar je krijgt hem er nauwelijks uit want de rand wordt te scherp.
De lappen van vroeger in plastic broekjes waren een zegen!
Maar ik zal wel weer de enige zijn die last heeft met nieuwe dingen.

Zouden het vrouwen zijn die tampons verder ontwikkelen?
Ja, dat zal wel, van vrouwen kun je van alles verwachten.

woensdag 13 oktober 2010

Later, als ik ze allemaal vermoord had

Buiten was het minstens zo heet als vorige week en mijn moeder vond dat we gezellig met z'n allen in de tuin moesten zitten.
Ik hield niet van die gezelligheid, helemaal niet als zij er bij was!
En ik hield ook niet van de zon die je huid verbrandde.
Zussen hadden de teil buiten gezet en gevuld met water. Zij hielden wel van die gezelligheid, maar ik was liever op de stal waar het heerlijk koel was en zo schoon en griezelig verlaten als de koeien buiten waren.

Er was altijd wel iets te doen, of de gereedschapsschuur of waar dan ook in een van de stallen.
Maar ik moest in de teil met water, want dat was zo gezellig voor mijn moeder. Zussen spartelden en gooiden elkaar nat.
Ik rende weer terug naar mijn stal, hield toen ook al niet van water.
Moeder riep me boos na: "De zon is goed voor je, ongezellig kind!"

Wat had zij met mijn leven te maken, ze mocht me niet eens. Ik had het toch naar mijn zin in de stal?
Ik wilde bij niemand zijn, alleen op de stal, de plek die ik me zomers toe eigende als mijn eigen plek waar niemand mocht komen. Er kwam dan ook niemand want niemand hield van die koelte en afzondering.
In de winter verborg ik me er tussen de koeien, of vluchtte naar de hooi of strozolder.
Tot mijn vader mijn schuilplaats ontdekte, toen was het daar niet meer veilig,
maar voor die tijd kon ik daar lekker in mijn eigen wereld kruipen en dromen van de mooiste dingen die het leven me later zou brengen.

Later, als ik ze allemaal vermoord had.

Kinderliefde en verlangen

Het nieuwe meisje was 15 en ik moest mijn kamer met haar delen.
Ze was rustig.
Op een middag zag ik haar lopen in Hilversum. Een veel oudere man liep naast haar, zijn arm stevig om haar heengeslagen en zij met haar hoofd tegen zijn arm.
’s Avonds keek ze me onzeker aan maar ik zweeg, er was toch niets?
Ze vertelde dat de man haar oom was, maar wat kon het mij schelen. Zij had iemand die lief voor haar was en haar aanraakte. Ik had alleen een aardige taxi chauffeur en de tuinman die zich als vader op afstand met me bemoeiden, nooit raakten ze me aan, al wou ik nog zo graag.
Ik reageerde niet op haar mededeling en bleef in mijn eigen verlangen.
Ze deed het licht uit en ik droomde van de tuinman en zijn grote handen die me zouden strelen, net niet overal terwijl ik het zo graag wilde. Maar hij zou het niet doen, dat wist ik zeker. En ik verlangde nog meer.
“Hij is mijn vriend,” onderbrak het nieuwe meisje mijn dromen.
53 was de man, en niemand mocht het weten want dan zou ze opgesloten worden.

En ik wist dat dat waar was, er waren wel eerder meisjes uit het tehuis gehaald die een veel oudere vriend hadden.
Het nieuwe meisje was zo blij met hem. Eindelijk was er iemand lief voor haar.
Hoe ver dat lief zijn ging weet ik niet maar zij was blij met hem, en op je 15e kan lief zijn best wat verder gaan zonder dat dat tegen je zin is.
Het leek mij in ieder geval heerlijk als je een oudere vriend hebt terwijl je nog van niets weet. Altijd beter dan het gestuntel met leeftijdsgenoten.
Nog geen week later was het nieuwe meisje weggehaald.
Een keer schreef ze me een brief.
Ze zat opgesloten en veel te veel strenge regels, ze mocht helemaal niets meer.
Alleen omdat er iemand lief voor haar was geweest en zij daar van had genoten.
Dat mocht niet omdat er regeltjes zijn gesteld door mensen die niet weten wat kinderen zonder ouders nodig hebben.
Hoeveel kinderen werd (en wordt) er liefde ontzegt enkel en alleen door regeltjes?

Ik wou dat ik op mijn 15e een lieve man had gekend die veel ouder was dan ik, die als een vaderfiguur maar met de liefde van een vriend, zich over mij had ontfermd. Wat heb ik daar naar gesnakt. Net als het nieuwe meisje.