donderdag 14 oktober 2010

Ik heb gelogen

“Waarom sta je hier zo alleen op de brug?”
Naast me staat een keurige meneer die heel vriendelijk kijkt.
“Is er iets gebeurd?” gaat hij verder.
Waarom zou ik een vreemde vertellen wat er is gebeurd. Is er ooit iemand geweest die iets met de waarheid deed?
Niemand hielp me als ik riep wat er was.
Wat moet ik zeggen?
Het gaat hem niets aan.
“Is er iets gebeurd?” dringt hij aan.
Ja, er is iets ergs gebeurd, ik ben uit het tehuis gezet omdat ik de laatste trein heb gemist, en nu zit ik in een vreemde wereld in een ander tehuis.
Maar ik zeg niets tegen de meneer.
Ik weet niet eens wat ik daar op het bruggetje doe, ik staar wat in het water, verder niets.
Hij neemt geen genoegen met mijn zwijgen en dringt aan.
“Mijn vader,” begin ik, zonder nog te weten wat ik zal vertellen, wel weet ik dat het niet de waarheid zal worden, die wil niemand horen.
Mijn vader was een bruut. Als je dat zegt verzacht iedereen het: het zal toch wel meevallen? Zo erg is het toch niet?
En als je zegt: hij deed ‘dát’ met me, dan zwijgen de mensen en lopen weg.

“Mijn vader is dood.”
Ik begin zelfs te huilen want het is ook een beetje waar maar iets anders dan dood. Hij is weg, uit mijn leven en figuurlijk is hij dood. Onopgelost, dat wel.
Ik geloof in mijn eigen verhaal wat steeds langer wordt. “Mijn lieve vader mis ik zo. Mijn vader die alles voor me over had en waar ik zo van hield, die is dood.”
Oh had ik maar zo’n vader gehad, ik kan het voelen, de pijn die zo diep zit dat hij nu dood is.
Ik kan huilen, ik kan mijn pijn om alles van vroeger gewoon eruit gooien, en de man zal alleen maar denken dat het is om mijn dooie vader en niet aan de bruut die ons het leven niet gunde zonder eerst zijn eigen behoefte te vervullen.

De man pakt me bij de schouder, “waar woon je kindje.”
“Aan de regentesselaan, meneer”, antwoord ik met huilerige stem.
Hij kan niet weten dat daar het te tehuis voor weggegooide kinderen is. Dat weet niemand, toen mijn voogdes me vanmiddag bracht moest ze er ook naar zoeken.
“Ik breng je thuis”, meteen duwt hij me zachtjes voor zich uit het bruggetje over, en het oranjepark uit.
Wat een vervelende man, ik wil op het bruggetje blijven, hij moet me niet thuis brengen, hij moet me met rust laten!
Ook hij doet niets met wat ik zeg, ze willen alleen maar weten voor hun eigen bevrediging, en daarna zoek je het maar uit.
Het is zoals die agenten die me kwamen halen voor het verhoor, ze vroegen me van alles in de auto, en ik dacht dat dat bij het verhoor hoorde en gaf netjes antwoord.
Bij het politiebureau zetten ze me voor de deur af en leverden me aan een ander over, en weer werden er duizend intieme en vieze vragen op me afgevuurd, en nog eens, van meerdere verhoorders bij elkaar. Alsof de schaamte al niet groot genoeg was.
“Heb je ooit een orgasme gehad?”
Ik wist niet eens wat het betekende. Later vertelde voogdes dat als ik het ooit zelfs ook maar een heel klein beetje lekker had gevonden mijn vader was vrijgesproken.
Stel je voor. Stel je voor dat je zelfs maar een heel klein beetje… van een verkrachting.
Waarom zou ik nog vertellen, waarom nog.
Mijn vader is veroordeeld en deels uit de ouderlijke macht ontzet,
en ik zit in een zoveelste tehuis.
Opgeruimd.
Wat valt er nog te zeggen.

Ik stribbel wat tegen maar hij is niet van plan me daar te laten staan.
Ongerust loop ik naast hem, hoe kom ik van hem af.
Maar er is geen ontsnappen mogelijk, tenzij ik het op een hollen zet, en dat doe ik niet.
Ik hoop op dat er vanzelf iets gebeurt waardoor hij in het niets verdwijnt.

Voor het huis aangekomen zeg ik: “hier woon ik, dag.”
Opgelucht ren ik het pad op naar binnen zonder om te kijken, weg van die man met zijn vragen, zonder hulp.

Als ik in de groepskamer kom zie ik de man toch het pad naar het huis op komen.
“Ik ben er niet”, fluister ik geschrokken tegen de begeleidster en vlieg naar mijn kamer en zet het bed tegen de deur. Niemand wil ik zien, niemand wil ik ooit nog vertellen wat er met me is.
Ga weg!
Het is net zo angstig als die keer dat ik me met mijn tante in de badkamer verstopte voor mijn vader toen hij nog niet wist dat hij was aangegeven.
Die verschrikkelijke angst voor de duivel die niet te doden is.

Een uur later komt de begeleidster me halen maar ik doe niet open.
Door de deur heen vertelt ze me dat het de dominee was en dat hij wilde weten hoe het met me gaat, en of hij iets voor me kan doen.
Rare man, en mij bracht hij alleen maar thuis, mij hielp hij niet, haar wel.
Zij had hem mijn waarheid alsnog verteld.
Mijn echte waarheid!
Mijn echte waarheid gaat niemand iets aan, alleen mijzelf.
Maar die meneer, zo vriendelijk, zo aardig, die wist nu al die vieze dingen van me die ik had moeten ondergaan.
Beschaamt open ik mijn deur.
“Waarom heb je tegen die meneer gelogen?” vraagt ze vol medeleven.
Alsof ik de waarheid had kúnnen vertellen!

Geen opmerkingen: