woensdag 13 oktober 2010

Later, als ik ze allemaal vermoord had

Buiten was het minstens zo heet als vorige week en mijn moeder vond dat we gezellig met z'n allen in de tuin moesten zitten.
Ik hield niet van die gezelligheid, helemaal niet als zij er bij was!
En ik hield ook niet van de zon die je huid verbrandde.
Zussen hadden de teil buiten gezet en gevuld met water. Zij hielden wel van die gezelligheid, maar ik was liever op de stal waar het heerlijk koel was en zo schoon en griezelig verlaten als de koeien buiten waren.

Er was altijd wel iets te doen, of de gereedschapsschuur of waar dan ook in een van de stallen.
Maar ik moest in de teil met water, want dat was zo gezellig voor mijn moeder. Zussen spartelden en gooiden elkaar nat.
Ik rende weer terug naar mijn stal, hield toen ook al niet van water.
Moeder riep me boos na: "De zon is goed voor je, ongezellig kind!"

Wat had zij met mijn leven te maken, ze mocht me niet eens. Ik had het toch naar mijn zin in de stal?
Ik wilde bij niemand zijn, alleen op de stal, de plek die ik me zomers toe eigende als mijn eigen plek waar niemand mocht komen. Er kwam dan ook niemand want niemand hield van die koelte en afzondering.
In de winter verborg ik me er tussen de koeien, of vluchtte naar de hooi of strozolder.
Tot mijn vader mijn schuilplaats ontdekte, toen was het daar niet meer veilig,
maar voor die tijd kon ik daar lekker in mijn eigen wereld kruipen en dromen van de mooiste dingen die het leven me later zou brengen.

Later, als ik ze allemaal vermoord had.

Geen opmerkingen: