donderdag 14 oktober 2010

Gestraft voor je bestaan

Babs had verteld dat ze in de zomervakantie voorgoed in het pleeggezin mocht wonen waar ze nu al 2 jaar, ieder weekend en vakantie, kwam.
Wij zaten altijd vol spanning te wachten op haar terugkomst want ze kon prachtig vertellen wat ze er beleefd had.
Sommige van ons waren wel een tikkeltje jaloers, wie wilde er niet in zo’n gezin!
Hoevelen moesten ieder weekend naar hun eigen ouders waar de spanning vaak om te snijden was. Waar ze niet echt welkom waren, of waar ze steeds maar verteld werd hoe waardeloos ze wel waren. Nee, Babs had het goed.

Het was moederdag en Babs had de vorige dag een kettinkje voor haar pleegmoeder gekocht van haar karige zakgeld. Ze was zo opgetogen geweest toen ze ‘s middags vertrok.
Maar ik was bang, zoals altijd op speciale dagen want hoeveel meisjes kwamen er dan weer huilend of heel boos terug? Vaak eerder dan afgesproken? Ruzie met de ouders was meestal de reden. Soms huilden ze al als ze er naar toe moesten.
Maar dat zou Babs natuurlijk niet overkomen, zij had het geweldig.
Dat dacht ik nog toen het ochtend werd. Hoe blij de pleegmoeder van Babs was met het kettinkje en dat ze het áltijd zou dragen en dat ze Babs in haar armen zou nemen en door haar haren zou strelen.
Dat stelde ik me voor.
Maar het was heel anders gegaan.

Babs kwam in de middag boos terug en duwde de leidster opzij die haar mee wilde nemen naar het kantoor. Ik trok de leidster bij Babs vandaan. Hoe goed wist ik dat je mensen in zo’n bui met rust moest laten, zeker als je niet van “één van ons” was.
In de avond, toen er meer meisjes terug waren gingen we naar Babs.
Op haar kamertje zaten we met zijn vijven en hoorden vol verontwaardiging het verhaal aan.
We geloofden elkaar altijd, want we logen alleen tegen de grote mensen die over ons leven beslisten, niet tegen elkaar.

Babs was weggestuurd bij die rotmensen die haar eerst zo lief hadden behandeld maar dat was maar schijn, ze hadden het zeker voor het geld gedaan, of voor hun gemoedsrust, want Babs was helemaal niet van hun en zou dat nooit worden.
Wij zwegen en lieten haar uitpraten.
Ze was vroeg in de ochtend verkracht door de zoon, de échte zoon, van haar pleegouders en dat had ie al vaker gedaan. Maar nu was de pleegmoeder binnen gekomen omdat ze teveel lawaai had gemaakt, ze had gegild dat hij op moest houden.
En toen stond pleegmoeder daar.
Babs had gezwegen.
Wij waren al lam geslagen in een eerder leven, en hadden toen al geleerd dat wij nooit sterker waren dan de anderen.
Pleegmoeder beschermde haar zoon, hoe grof die ook boven op haar had gelegen in haar bed, niet het zijne. Het was Babs geweest die haar zoon had verleid en gedwongen.

Zo kwamen ze onschuldig van Babs af.
En Babs zei de waarheid alleen tegen ons. En wij zwegen, zoals we altijd elkaar vreselijke dingen vertelden die we nimmer aan voogdessen of groepsleidster of psychologen vertelden. We hadden een stilzwijgend verbond.
Wij konden elkaar niet helpen, maar dat deden de grote mensen ook niet, die konden je alleen straffen voor je onschuld.
Wij waren al gestraft door onze ouders die ons niet wilden, en wij werden uit onze vertrouwde gezinssituatie gehaald, wij waren niet schuldig maar werden in tehuizen gestopt. En naar pleeggezinnen gestuurd waar je weer weggegooid werd als je niet aardig genoeg was, of als de zoon, opa, vader of oom last van zijn identiteit kreeg.

Zoals velen van ons, besloot ook Babs niemand meer te vertrouwen. Misschien was het niet besluiten maar een reflex om jezelf te beschermen tegen pijn die anderen je aandoen.
Babs vroeg mij om geld. Ik had altijd geld, want ik gaf het nergens aan uit.
Waar ze het voor nodig had vroeg ik niet en gaf haar tien gulden.
Ze kwam thuis met een touw. Ze keek me bijna wanhopig maar toch ook opstandig aan. Maar ik zei niets.
Toen we ’s avonds met alle meisjes op mijn kamer zaten was er weer dat stille verbond.
We wisten wat Babs met dat touw ging doen. Maar we zouden haar nooit verraden!
We zouden niemand verraden. Ook de meisjes die hun polsen vol lettekens hadden van het foute snijden zouden niemand verraden. Zelfs de bange Judy zou niets zeggen maar onder haar bed kruipen, of angstig bij mij komen.

Ik had een klein beetje bewondering voor Babs. Want hoe vaak had ik zelf vroeger over die daad nagedacht? Hoe vaak had ik met het landbouwgif in mijn hand gestaan, het flesje open en diep adem gehaald om het flesje leeg te drinken?
Maar ik had besloten dat niet ik dood moest maar degene die mij het leven onmogelijk maakte. Maar dat is, als je kind bent, nog niet zo eenvoudig.

De volgende dag is Babs weggehaald bij ons, niemand wist waarheen, dat werd ons niet verteld.
Het touw hing aan een kleerhanger aan de deur, ongebruikt.

Geen opmerkingen: