donderdag 14 oktober 2010

Onder mijn kleren ben ik niet normaal

Links in de gang zit een man in een rolstoel, helemaal alleen.
Niemand is bij hem.
Even later wordt er een man in pyjama, in rolstoel, er naast gezet. Ook alleen.

Waarom heb ik mijn braces niet direct afgedaan, ze knellen.
Zometeen doe ik ze wel uit, als ik het durf. Alleen maar de ritsen van mijn broekspijpen openen. Iedereen zal mijn benen zien. Iedereen zal mijn afzichtelijke braces zien.
Ik durf niet, ik ben de mooiste vrouw hier, ik ben de enige die ogenschijnlijk normaal is.
Wacht, we zitten tenslotte in de wachtkamer. Straks doe ik ze uit, als niemand het ziet, want onder mijn kleren ben ik niet normaal.
Een oude man in een ziekenhuisbed met gele sprei, wordt door de gang gereden.
Zijn mond hangt een beetje open.
Ik krijg buikpijn. Mijn geest staat niet meer stil, mijn lichaam werkt als een paard.
Al die herinneringen. De eenzaamheid in het ziekenhuisbed, overgeleverd aan de verpleegsters en artsen. Geen eigen kracht, liever doodgaan dan onder het mes en weten dat je kwaliteit gehalveerd is.
Maar je hebt geen keus, je ligt in het bed vastgebonden en de verpleegsters en artsen spreken je vriendelijk toe.
Maar je bent alleen, je weet dat het geen betrokkenheid is.
Er is niemand achter je, niemand in de wachtkamer, niemand thuis, niemand in een ander huis. Niemand die op je opvangt na afloop, niemand die heel graag wil dat je weer beter wordt.
Het maakt niemand iets uit wie je bent en hoe je bent, zelfs niet óf je bent.

Naast me zit een vrouw verbonden met een infuus aan een rijdend statief met slangetjes en een grote fles.
Ze zit stokstijf stil. Schreeuwt af en toe dat het zo lang duurt. Ze zegt haar hand niet te kunnen bewegen door de naald in haar arm. Daarna verstijfd ze weer.
Het doet me niets, ik kijk haar niet aan om geen gesprek aan te gaan.
De braces lijken mijn bloedvaten af te knellen, mijn hersenen verbrijzelen onder de druk.
Ik stik. Had me zo vaak voorgenomen nooit meer naar een arts te gaan, en nu zit ik weer hier.
Altijd die opstandigheid, altijd die stommiteit, altijd die hoop.

Ze laten me een heel eind lopen als ik aan de beurt ben.
Het kleedkamertje is groter dan vroeger. De deur oranje. Ik moet niet vergeten de deur op slot te doen, maar het maakt niets uit wie me ziet. In het ziekenhuis is je privacy onbelangrijk.
Niet zeuren, je bent toch ziek net als iedereen. Kleed je uit en ga liggen.
Een jonge dokter onderzoekt me.
Ik weet dat de afdrukken van de braces als rupsbanden op mijn benen te zichtbaar zijn.
Beweeg ik me niet te houterig of te lenig?
“Zucht eens diep”, en “draai je eens om”, is het enige wat er gezegd wordt.
Hoe gedraag ik me, is mijn ondergoed wel netjes, zit het goed, is het niet klein of te groot.
Wat is de mode van ondergoed tegenwoordig.
Ik moet alles buitensluiten, niets voelen. Hij is een dokter die me onderzoekt op kwalen, geen man die me bewonderd om mijn schoonheid.
Straks ga ik weer naar huis zonder dat er iets veranderd is, behalve in mijn geest, daar spoken de artsen met messen, pincetten, naalden en mondkapjes. En ik ben hun proefkonijn:
je ziet er niets meer van,
alleen nog op de foto.

Geen opmerkingen: