Op zijn hurkjes zit broertje aan de andere kant van de oude pan waarin ik modderpap heb gemaakt. Met onze vingers eten we de gekookte modder. "Mmm, lekker hè" zeg ik tegen hem, en hij likt zijn vingertjes schoon. Niet dat we de modder echt eten.
"Pap lekker hè?", fluistert broertje. Voorzichtig kijk ik om me heen of mama niet in de buurt is voor ik antwoord geef, "Ja, deze pap is lekker."
Ineens springt broertje op, "kijk, kijk!" Opgetogen wijst hij naar de auto die het erf op rijdt.
Ik krijg een vreselijk angstig gevoel. Dit is niet goed, er gaat iets vreselijks gebeuren.
De grote witte auto stopt naast het huis. De achterkant ervan zakt naar beneden zodat hij dreigend onze kant op staart.
Het portier gaat open.
Ik vergeet adem te halen, "broertje", meer kan ik niet zeggen.
Als ik de deftige mevrouw uit de auto zie stappen pak ik broertje bij zijn handje en trek hem mee achter de schuur.
"Ze komt ons halen, echt waar, ze is van het gesticht." Ik trek broertje aan zijn hand dicht tegen me aan. "Dat zie ik omdat ze zo streng is", ga ik verder.
"Spin", zegt broertje en kijkt me vragend aan.
"Ja, dan krijgen we spinnen te eten."
Om het hoekje van de muur zie ik hoe de mevrouw buiten staat te praten met mama. Ze kijkt om zich heen.
Ik schiet weer terug achter de schuur, "ze kunnen ons hier niet zien", overtuig ik broertje, "straks gaat ze wel weer weg."
Broertje knijpt heel hard in mijn hand, en brabbelt mijn naam.
Ik knijp terug.
Op datzelfde moment grijpt een meneer broertje bij zijn arm en trekt hem los van mij.
Waar kwam hij opeens vandaan?
"Broertje!" gil ik, "blijf van broertje af!" en ik sla de meneer op zijn benen. Hij tilt broertje op en loopt met ferme passen naar de grote auto.
Ik ren er achter aan. Broertje is stil. Hij is altijd stil. Zijn kleine mollige armpjes strekt hij naar mij uit. Woest schop ik tegen de meneer zijn enkels. Hij loopt gewoon door.
Bij de auto staat de deftige mevrouw.
Zie je wel, ze is van het gesticht.
Ze heeft de deur al open staan.
Door mijn tranen heen zie ik broertje die me met zijn grote ogen smekend aankijkt.
Machteloos kijk ik toe hoe ze instappen met broertje. Zijn ogen priemen in de mijne, het is alsof hij roept: “ik wil bij jou blijven”.
Ik wil ook dat hij bij mij blijft maar ik kan niets doen, ik kan helemaal niets doen.
“Broertje, broertje”, schreeuw ik en ren achter de auto aan die het erf afrijdt.
En zelfs nu, bijna 40 jaar later zit ik te huilen om onze verscheurde levens.
Alsof ik jou, broertje, voor altijd beschadigd heb doordat zij het vertrouwen wat jij in mij had kapot maakten en ik je niet kon redden.
Lief broertje, ze moeten je beschadigd hebben, dat kan niet anders na alles wat er verder in je leven gebeurde, waar ik geen weet van heb.
Waarom ben je geboren met datzelfde slappe karakter als je moeder. Waarom keerde je mij de rug toe? Hadden ze jou ook afgeleerd van iemand te houden? Je aan iemand te hechten? Waarom wil je mij niet kennen. Waarom, waarom liet je je indoctrineren? Waarom maakte je niet je eigen keuzes.
Waarom, lief broertje, waarom is er geen antwoord op verscheurde levens.
Ik heb je in je wieg in het weiland horen huilen. Ik heb je uitgestrekte armpjes gezien, je duizend vragen gehoord, en altijd als we weer herenigd werden je lieve lach gezien alsof er niets gebeurd was.
Ik heb geprobeerd je te vergeten, je dood te schrijven. Ik heb geprobeerd je los te laten. Maar ik kan het niet.
Zou je mij nog kennen?
Zou jij je deze dingen nog herinneren?
Dingen die onze levens verscheurden.
donderdag 14 oktober 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten