Op ene middag stond Adam op uit de handen van God. En wandelde dag in dag
uit door zijn land en bekeek alles om zich heen wat hij gekregen had. Hij
was tevreden. Het was goed, zeide hij tot zichzelve en ging onder een boom
zitten knabbelen aan een vijgepit.
God zag het aan. Alles wat Hij met zorg had gemaakt, alles waar Hij dagenlang hard voor gewerkt had, dat liet Adam onberoerd, hij wandelde en at van alles.
God vond dat er iets gedaan moest worden aan de luiheid van Adam en daarom nam hij een adder en maakte van het vel een vrouw.
God wist dat vrouwen sterker waren en beter in staat om een land vooruit te helpen. Maar hunner schoonheid zou hun kracht verbergen.
De vrouw was beeldschoon en Adam noemde haar Eva. "Eva, mijn schone vrouwe"
weende hij van verlangen, toen hij haar aanschouwde.
Omdat hij Eva van God had gekregen, dacht Adam dat hij met haar kon wandelen,
om haar, net zoals zijn land, te bewonderen.
Adam vond alles goed zoals het was, maar Eva wilde meer. Zij zag overal mogelijkheden. Ze wilde niet haar leven wandelend slijten en begon over zaaien en oogsten.
Ook maande ze Adam aan tot werken.
Al ras werkten zij op het land, zaaiden en oogsten cassave en mais.
Eva was tevreden maar Adam miste zijn vrije wandelingen en was moe van het werken.
Na de oogsttijd nam Eva pauze want ze had pijn in harer schoot.
Eva zeide tot Adam dat God niet de enige was die schepsels kon maken, zij kon het ook alleen duurde dat wat langer.
Adam bracht haar verse vruchten en was bezorgd want wie moest er nu voor hem
zorgen?
Op een middag kwam er een schepseltje uit de schoot van Eva, ze noemden het Heb-kind.
Eva ploegde spoedig weer op het land.
Heb-kind was klein en afhankelijk, alle dagen weende het menigmaal en Adam werd er nog vermoeider van dan van werken. Ook moest Heb-kind verzorgd worden, het kon niets zelfstandig ondernemen.
Eva weende stilletjes als zij Heb-kind op schoot had, want het moest wel erg ziek zijn dat het zo weinig anders deed dan huilen en drinken.
Toen lag aan hare voeten een adder. "Eva, Eva, u zijt toch mijner familie."
Eva lachte, ze vergat haar verdriet. "Natuurlijk." Want problemen maakte Eva nooit.
Nog al die jaren waren zij naakt geweest.
De slang kronkelde om haar benen en sprak dat zij een kind had gebaard van Adam, maar dat dat een bastaard was, zij had een schepsel moeten maken met hem, de slang, iets van haar eigen soort want zij was toch zelf gemaakt van een slang?
En hij voegde daad bij het woord.
Eva was nog nooit in de hemel geweest maar op dat moment was ze er.
Toen Adam 's avonds thuis kwam zag Eva zijn lichaam en wilde weten of ze met Adam ook naar de hemel kon.
Ze nodigde Adam uit. Dagelijks nodigde ze hem meerdere malen uit, want Eva wilde steeds weer naar de hemel maar die was ver weg.
Tot ze op een dag aanzag hoe de oogst was mislukt, en dat enkel door haar verlangen.
Ze stond op, scheurde drie vijgebladen van de boom en plakte die met hars op hunner venusheuvels.
"Werken zullen wij Adam en Heb-kind. Werken, want je valt toch steeds weer snel uit de hemel terug op aarde."
En Adam weende, hij dacht dagelijks terug aan het leven zonder vijgeblad.
En Eva was tevreden zoals het nu was, zij beheerste Adam, en zag dat het goed was.
donderdag 14 oktober 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten