Ik ben gewend altijd op klompen te lopen, maar mijn baas vond dat niet goed.
In fraaie schoentjes voelde ik me zo vreselijk ongelukkig dat ik steeds weer op klompen kwam. “Maakt toch niets uit, meneer,” zei ik tegen de baas, “niemand ziet mijn klompen achter het bureau.”
Ik kon mijn cultuur toch geen geweld aan doen? Die klompen waren mijn identiteit.
Ik ben opgevoed op klompen, het gezondste schoeisel, zeiden ze toen, je krijgt er geen zweetvoeten in en iedereen ziet meteen dat je van boerenafkomst bent.
Mijn baas kon me mijn identiteit toch niet afnemen? Het staat in de grondwet dat ik recht heb op de vrijheidsbeleving van mijn levensovertuiging. En ik ben een overtuigd klompenloper.
Maar hij was onverbiddelijk:
Je moet representatief zijn anders zet ik je op een lagere functie. Je bent op deze manier een slecht visiteplaatje.
Bij een lagere functie mocht ik evenmin op klompen. Ooit een koffiejuffrouw op houten klompen gezien? Die moet er zelfs nog mooier uitzien dan de directiesecretaresse.
Ook als wc juffrouw mocht het niet, want ook die moet er keurig uitzien alsof ze zo mee naar een restaurant kan.
Er zat niets anders op dan met een boer te trouwen,
maar er was geen boer die een vrouw op klompen wou, ze wilden een spannende vrouw voor de huishouding en de sex.
Ik ben voorstander van de burka, hoofddoekjes, klompen, klederdracht en sexloze mannen!
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten